BMW RACEHISTORIE DE 5-SERIE
Onderstaande tekst is een vertaling uit het Engels van hoofdstuk 23 van het boek "Unbeatable BMW, Eighty Years of Engineering and Motorsport Succes", van Jeremy Walton, Robert Bentley Inc., Cambridge, USA, ISBN 0-8376-0206-8, 1998. Copyright Jeremy Walton!
TROTSE PRIVÉRIJDERS IN DE BMW 5-SERIE
Het missende stukje in de racegeschiedenis van BMW is het
verhaal van de vierdeurs 5-serie sedans (en de tweedeurs 6-serie coupés), die vaak werden
geracet door privérijders en semi-fabrieksteams. De fabriek onderteunde de 5-serie door
ervoor te zorgen dat hij netjes werd gehomologeerd voor de nieuwe Groep A-regels van 1982
en de eerdere nationale races voor Groep 1 productiesedans.
Wat betreft de latere racecarrière van de 6-serie coupé: BMW heeft nooit geracet met de
motor die de beste zou hebben kunnen verslaan en zou hebben kunnen verhinderen dat Jaguar
de Europese titel in 1984 won, en Volvo die van 1985. Maar de laatste drie jaar van de
serie die na 1988 werd opgeheven door de FIA uit ergernis over de vele
diskwalificaties en aantijgingen van bedrog tussen de deelnemers was BMW weer
winnaar met de oorspronkelijke M3.
De productiejaren van de 5-serie, alleen voor wat betreft de E28 528i dan, liepen van
april 1981 tot december 1987 met een totaal aantal van 80.775 exemplaren. Voor de 533i met
US-specificaties was die termijn van september 1982 tot september 1984 met een
productietotaal van 11.310 stuks.
Ondanks de handicap dat de 286 pk leverende 24-kleps zescilinder, die eervol de M5 en M
635 CSi/M6 motoriseerde, nooit werd gehomologeerd, behaalden deze BMWs steeds de Europese
titel in 1982, 1983 en 1986. Ze maakten gebruik van 12-kleps zescilinders en hun
legendarische duurzaamheid om bij tussenpozen de V12s, V8en en de zeer speciale Volvo
Turbo te verslaan.
Waarom homologeerde BMW de 24-klepper nooit? In één woord: aantallen. De Duitse
sportautoriteiten (ONS) zouden een nationale fabrikant niet toestaan te sjoemelen met de
productieaantallen, ondanks dat rivaliserende landen de competitieve ambities van hun
nationale fabrikanten actief ondersteunden. BMW had niet voldoende bewijs voor de
jaarlijkse productie van 24-kleps motoren voor de 5- of 6-serie om het te redden. Ze waren
akelig dicht bij onvervalste kwalificatie en maakten jaarlijks echt meer M 635s dan Jaguar
XJS V12s in diezelfde productiejaren, maar het was niet genoeg.
De Jaguar had zich gekwalificeerd door een slimme overstap van de vroegere Groep 1-klasse.
BMW miste de gevolgtrekkingen van die slimme actie, die ironisch genoeg werd uitgevoerd
door voormalig BMW-contractrijder Tom Walkinshaw. Daarna ontdekte BMW dat de raceseizoenen
van de jaren 80 (vóór de M3-periode) plaatsvonden op een speelveld dat nog meer op tilt
was geslagen dan een afgeleefde flipperkast.
Tom Walkingshaw en TWR
Eerst vertellen we het verhaal van de racende 5-serie dat ons terugvoert naar
Groot-Brittannië en het geluk van de voormalige coureur van de Alpina-BMW CSL en Groep 5
BMW 320, Tom Walkinshaw. Tom Walkinshaw Racing (TWR), toen gevestigd in Kidlington,
Oxfordshire, in Engeland, was een voormalige competitieassistent van BMW in de late jaren
70.
TWR bleef in Oxfordshire, maar heeft sindsdien zijn vleugels verder uitgespreid dan BMW en
heeft op internationaal niveau Mazda rotatiemotoren geprepareerd, Jaguars, Rovers;
Audis en Volvo sedans. Op Audi na (zelfs met Stirling Moss en Martin Brundle aan
boord) zijn het allemaal winnaars geworden. Jaguar was TWRs meest succesvolle
internationale merk, met een Europese titel voor de XJS behaald ten koste van BMW
en overwinningen in zowel de 24 uur van Le Mans als die van Daytona, naast winst
van de World Sports Car titel.
Tegenwoordig heeft TWR meer dan 1000 mensen in dienst en heeft het productiewagens /
raceconnecties met General Motors / Holden in Australië en Volvo in Zweden. TWR is
beroemd vanwege partnerschappen die resulteerden in het ontstaan van de Jaguar XJ 220 en
de Aston Martin DB7.
Walkinshaws TWR van de late jaren 70 bestond uit een aantal privébedrijven die
alles deden, van complete auto-ombouw tot accessoireverkoop. De stamboom van TWR voert
terug tot een operatie binnen BMW Concessionaires (GB) Ltd. en leidde in 1982 tot deelname
aan de Britse nationale kampioenschapraces.
Hoewel BMW Concessionaires toen geen officiële fabrieksassistent was, was het wel in
staat duidelijk invloed uit te oefenen op het moederbedrijf, omdat Groot-Brittannië
zon goede markt was voor de hoger gerprijsde modellen en als exportland alleen
achterbleef bij de Arabische staten en de VS. Groot-Brittannië nam een bijzonder groot
aandeel (meer dan 500) van de CSL lichtgewicht coupés af.
In 1972 benoemde BMW Cocessionaires clubracer/verkooptovenaar John Markey tot zijn UK
competitiemanager. Om te beginnen werd er met groot succes campagne gevoerd voor de 2002
tii door de journalist Roger Bell, en toen werd er een 3-liter CSi bemachtigd die werd
geprepareerd door Mathwell Engineering. Die auto maakte Concessionaires eerste en
enige uitstapje naar de Belgische 24 uurrace van Spa in dat inaugurale jaar, waar hij
winnaar werd in zijn klasse en net een door de fabriek ondersteunde productieracer
versloeg en als zevende overall finishte. De schrijver dezes (Jeremy Walton BV) had
de eer die Belgische rooftocht te delen met Peter Hanson.
De UK Concessionaires hadden ook veel van doen met de Cooper Car Company / Broadspeed
coupé die eerder dat jaar naar de Salzburgring werd gestuurd, een volledige Groep
2-machine die slechts één keer in het openbaar racete. Tegen het eind van het seizoen
1972 waren de resultaten niet zo geweldig en was er veel geld uitgegeven.
Daarna, in 1973, werd er deelgenomen aan een Britse serie races met de 3-liter Si sedan
met Bell en de veteraan Tony Lanfranchi en tenminste een van deze autos rijdt nu in
de VS rond. Brian Muirs Alpina CSL nam ook deel aan de belangrijkste Britse serie
(in het laatste seizoen van de Groep 2-regels), zodat het een duur seizoen was. In 1974
werd BMW in de UK flink geraakt door de oliecrisis, en de pas aangestelde
competitiemanager Lanfranchi was een van de slachtoffers, hoewel de Si sedans bleven
verschijnen in hun gebruikelijke deinende, bandenspinnende stijl. Eentje deed zelfs mee
aan de 6 uur van Silverstone van 1976 en overleefde in een zee van Porsche turbos.
Dat seizoen 1974 leek het einde van de competitie voor BMW in welke georganiseerde vorm
dan ook in Groot-Brittannië. Maar nee. Vroeg in 1976 raakte Tom Walkingshaw betrokken bij
Groep 5, toen hij de door Hermetite gesponsorde, fabrieksgeprepareerde CSL reed met John
Fitzpatrick. Dit bracht de scherpzinnige jonge Schot in contact met Neerpasch
methode en herinnerde hem eraan dat zijn andere werkgevers bij Ford niet erg
geïnteresseerd meer waren in de sedanracerij op grote schaal.
Aan het eind van 1976 benaderde Walkinshaw de BMW-fabriek met een plan om de potentie van
de oorspronkelijke 5-serie (E12) voor de racerij te onderzoeken en nam daarbij (in
september) een 528i van de Britse Concessionaires mee voor evaluatie. Maar de fabriek wist
al alles over het bouwen van snellere E12s, want Neerpasch had de productie aangemoedigd
van omgebouwde 5-serie autos met motoren tot 3,5 liter, speciale wielophangingen,
remmen en andere uitrusting die de enthousiastelingen of BMW-contractrijders aanspraken
voor straatgebruik.
Dus München had een goed idee van wat er nodig was voor een 5-serie voor de baan, maar
het had niet de mankracht of de neiging om betrokken te raken bij racen op nationaal
niveau. Deze houding werd alleen maar sterker en liet BMW France, BMW Italia en BMW
België niets anders over dan de samenstelling van competitieprogrammas die aan hun
voorwaarden voldeden. In Groot-Brittannië, Frankrijk en België was er de zogenaamde
Groep 1½ BMW 530i voor elke nationale racetaak.
Het resultaat was verwarrend: BMW slaagde erin een speciale
530i (US) te homologeren en tevens om het concept van de 5-serie met een drieliter motor
te registreren als een evolutie van de 528 voor racedoeleinden! In Amerika was er
zon auto (die vanaf 1975 in de lijst stond met 176 SAE ponykrachten), en BMW maakte
27.073 exemplaren daarvan tussen oktober 1974 en augustus 1978. In Europa kon je alleen
aan een 530i komen door er eentje speciaal om te laten bouwen door de fabriek of door
andere specialisten.
Het was dit grauwe homologatie-aspect van de productieracerij dat BMW afschreef voor
verdere vormen van Groep 1 of 1½ racen, vooral omdat er later een onderzoek van een
Zwitserse delegatie van de CSI (= internationale sportcommissie BV) was naar de
gewichten en uitrusting van Groep 1-autos voor competitie. Dit resulteerde erin dat
de homologatie van de 530i (VS) verviel als een geldige internationale erkenning van de
auto en hij werd toen alleen geracet als evolutie van de 528 voor seizoen 1978, terwijl
hij aan vele races van 1977 had deelgenomen in US-trim.
Tom Walkinshaw smaakte in 1977 het genoegen van een tamelijk
veelbelovend eerste seizoen met de 5-serie, hield er een paar Britse ronderecords aan over
en finishte soms in de top 3. Maar de ongrijpbare directe winst behaalde het kleine team
niet. In 1978 ontving Walkinshaw veel meer steun en kon hij in zijn eentje voldoen aan de
voorwaarden voor niet alleen een team van twee of drie 530is, maar ook voor een
Formule 2 (met de Zuidafrikaan Rad Dougal) en voor veel andere activiteiten die hem en TWR
internationaal naam zouden doen maken.
Walkinshaw vond uit dat de 530 die in Groot-Brittannië werd gemaakt sneller was dan die
waarmee in Frankrijk werd geracet, wat hij toeschreef aan het feit dat ze geen gebruik
maakten van dezelfde bovenste ophangingsbevestiging, banden of motoren als de Britten.
Terecht aangemoedigd daardoor, pakte hij de 24 uur van Spa en de 4 uur van de Nürburgring
aan met de 530i (die voor het eerst in de Europese Groep 2 verscheen op de Ring), met
wisselend succes. Op Spa finishte niet één auto, maar op de Ring werd de auto tiende
overall en won de 3-liter klasse, wat een goed resultaat was voor wat neerkwam op een
Britse sprintracer met een lage voorspoiler.
Het Britse seizoen 1978 bood veel hoop met Pentax en Tolemans Deliveries als sponsors, en
met coureurs als Andy Rouse, Dieter Quester en Rod Dougal. Eerlijk gezegd waren de
autos zwaar (1230 kg) en motorspecialist Racing Services had geworsteld om er 245
248 pk uit te halen, na het verlies van de US-specificaties, die een
compressieverhouding toestonden van meer dan 10 op 1 (nu waren ze beperkt tot 9,5 : 1).
Hoe hard TWR werkte om zelfs maar in de buurt te blijven van de 998 kg, 225 pk Ford
Capris kan worden beoordeeld door het feit dat, hoewel de autos het jaar
begonnen op Goodyear banden, er aan het eind van het seizoen Dunlops werden gebruikt voor
droge omstandigheden en Michelins voor natte!
Wat was er nodig voor een Groep 1½ BMW 530i? In de jaren 70 stelde ik die vraag aan Walkinshaw en vond ik uit dat de meeste dingen die hij deed, overeenkwamen met vergelijkbare autos die in Europa werden geprepareerd. Om 45 50 pk extra te persen uit de 2985 cm³ zescilinder (89 x 80 mm) is veel werk en geduld nodig. De drieliter ontwikkelde in Europa normaal 195 pk bij een compressieverhouding van 9,0 : 1, terwijl de racemotor bijna 250 pk leverde, alleen door het ontwerpen en nieuw profileren van een nokkenas conform de toleranties op het homologatieformulier. Walkinshaws team verhoogde ook de lichthoogte van de kleppen.
Verder moest het werk aan de motor worden beperkt tot het uit
elkaar halen van elke motor en weer opbouwen volgens de vaak gunstige toleranties van het
homologatieformulier. De maat van de spruitstukken, die zorgen voor de hoeveelheid mengsel
die naar binnen gezogen wordt, kon worden vergroot als de fabrieksgietstukken kleinere
openingen hadden dan degene die op het homologatieformulier stonden vermeld. De hele motor
kon worden afgesteld om te draaien met zo min mogelijk wrijving van de cilinderboring of
andere hitte genererende oppervlakken.
Het werk aan het chassis bepaalde grotendeels de "½" van het bestaan van Groep
1½, want er waren opmerkelijke verschillen ten opzichte van de Groep 1
"showroom" modellen in de internationale reglementen. Om te beginnen werden alle
rubberen bussen vervangen door stalen rozetverbindingen, Rondom werden Bilstein gasgevulde
dempers gebruikt voor de klassieke onafhankelijke BMW-ophanging met McPherson veerpoten en
geleidearmen. Compleet met een gelegeerd schroefdraadhuis konden de dempers snel worden
afgesteld met het oog op de rijhoogte, en de geometrie van de ophanging werd snel
veranderd met het oog op camber hoek, caster en inspoor/toespoor. Camber en caster moesten
beide veranderd worden vanwege de doorboorde, gelegeerde bovenste bevestigingspunten van
de McPherson veerpoten. Alle ophangingsonderdelen, inclusief de variabele voor- en
achterstabilisatoren, moesten aansluiten op de productie montagepunten.
De auto mocht racen op 7 inch brede gelegeerde wielen. De continentale Europese teams
gebruikten alleen Michelin banden, maar sommigen monteerden Dunlops voor gebruik bij droog
weer. De remmen waren rondom geventileerde schijven, die Walkinshaw in gloedvolle termen
beschreef: "Zonder twijfel het beste kenmerk van de auto. Je kunt drie wagenlengtes
goedmaken op een Capri bij het ingaan van een bocht. Ze zijn ietsje groter dan van de 528,
en we gebruiken geen bekrachtiging. In deze opzet kan de coureur het pedaal regelen tot
tegen het blokkeren aan. Als je de bekrachtiging monteert, ben je geneigd de wielen te
blokkeren en krijg je platte banden".
Walkinshaw reed de auto ook zelf, nadat hij aan het begin van het seizoen had gezworen dat
hij geen auto zou rijden die door zijn bedrijf was geprepareerd. Pas in het midden van de
jaren 80, met een Europese titel (Jaguar) op zak, stopte hij met het rijden in
raceautos die door TWR waren geprepareerd.
Walkinshaw reed in 1978 zeven races, behaalde vier pole positions en won twee races aan
het eind van het seizoen, inclusief de Trans Europe Trophy op Silverstone dit na
een RAC-tribunaal dat TWRs uitgeklede afstelling rechtmatig verklaarde en in
overeenstemming met de ietwat verwarrende regels. Nu kun je zien waarom de fabriek niet
zoveel zin had in Groep 1. De BMW-TWR verbindtenis bloeide niet, en Walkinshaw ging zijn
eigen steeds succesvollere weg, maar alleen nadat TWR ook een 323i had geprepareerd voor
één seizoen, voor eenmerksraces.
De 5-serie werd ook gereden door Luigi Racing (België) in internationale races aan het
eind van seizoen 1977. Luigi Racing was een voormalig Europees titelwinnaar met de CSL.
Luigi bleef met de vierdeurs E12 racen in 1978 hoewel hij de Europese titel won met de
CSL, voordat hij in 1979 met Chevrolet in zee ging.
BMW ondersteunde indirect de preparatie van 5-serie Groep 1½
races in Frankrijk via Georges Benoit in Villefranche in Zuid-Frankrijk. Uit dezelfde
regio kwam zijn coureur, de voormalige bergklim-racekampioen Pierre Maublanc. Deze BMWs
waren uiterst populaire racevoertuigen in Frankrijk in deze seizoenen, en er deden enkele
uitstekende coureurs mee, zoals Jean-Pierre Beltoise die in 1977 het Frans kampioenschap
won met zijn Benoit 530.
De Fransen waagden zich zelden buiten hun eigen territorium en de Belgen hoefden dat
slechts zelden te doen, vanwege een van s werelds grootste klassiekers die in hun
achtertuin (de Ardennen) werd verreden de jaarlijkse 24 uur van Spa Francorchamps.
In 1977 voerde de Belgische BMW competitiemanager Hughes de Fierlant (voormalig
langeafstandsracer tijdens vele seizoenen) het beheer over de inspanningen van diverse
rivaliserende gevestigde tuningsbedrijven, die goed genoeg waren voor het binnenhalen van
de indrukwekkendste winst van de BMW 530i, met een gemiddelde van meer dan 160 km/h en een
afgelegde afstand van 4081 km van zaterdag 23 juli tot zondag 24 juli 1977. De Franse
rally-aas Jean-Claud Andruet en Eddy Joosen wonnen in hun door Juna gemodificeerde BMW.
Gelijksoortige autos werden vijfde en zevende, terwijl Alain Cudini/Guy Frequelin in
hun Benoit-BMW de snelste ronde op hun naam schreven: 4.25,9 (gemiddeld 191 km/h).
De Fierlant leidde de inzet van twee teams met elk twee 530is in de race van 1978,
geprepareerd door respectievelijk Juma en Serge Speed. De Belgische competitiemanager had
flinke ondersteuning, want er waren 12 andere 530s in het veld van 60 autos,
inclusief die van Luigi (die eerder het seizoen de internationale 600 km-race had
gewonnen) en Benoit. Hoewel zelfs Derek Bell een van De Fierlants autos deelde
met Joosen, en Jean-Claude Andruet ook weer in het team zat, bewezen de Capris in
1978 iets te snel te zijn.
De snelste 530 was tiende na de training. Hoewel zelfs Gordon Spice het dramatisch
moeilijk had, wat het tot een van de opwindendste races ooit maakte tussen het Britse
Capriteam en de Belgische BMWs, finishte de 530i van Joosen/Raijmond van Hove (Bell had de
auto gecrasht die hij oorspronkelijk met Joosen deelde) als tweede met slechts 4,5 km
minder afgelegd dan de winnende Ford. Andere 530s finishten als derde en vijfde om het
betrouwbaarheidsimago te versterken, maar De Fierlant vertrok onmiddellijk naar de Duitse
Grand Prix en liet zich in met een reeks discussies met BMW om een manier te vinden voor
de extra snelheid die ze nodig hadden!
Het kwam er nooit écht van in Europa, maar voordat ik ga vertellen wat BMW voor de
5-serie toestond in de jaren 80, moeten we eerst een zeer rijke autosportnatie bezoeken
die een heel eind uit de buurt ligt.
Zuid-Afrika
De opwindendste BMWs 530 kwamen helemaal niet uit Europa. Het verhaal van het ongelofelijk
succesvolle Zuidafrikaanse BMW-team is inspirerend en toont iedereen wat deze hoekige
sedan in zijn mars had.
De opmerkelijke Eddie Keizan, destijds directeur van een aantal autobedrijven zoals het
Tiger Wheels fabricage- en handelsbedrijf, was de man achter deze Zuidafrikaanse BMWs.
Keizan had twee keer het nationaal kampioenschap gewonnen, voordat hij door BMW South
Africa benaderd werd om een nieuw raceteam te leiden.
De Zuidafrikaanse regels waren een wet op zich. Hoewel de meeste landen hun eigen kleine
eigenaardigheden hebben, hadden de Zuidafrikanen hele snelle, speciale uitvoeringen in de
jaren 60 en 70. Tientallen jaren geleden waren het Ford Capris met V8-motoren. Toen
werd er een streep gezet tussen de internationaal gemodificeerde (Groep 2) en de
productie- (Groep 1) competitie, om BMW een kans te geven om te winnen.
Om aan de eisen te voldoen, moesten er honderd exemplaren worden gebouwd van het autotype
dat moest gaan racen. Hoewel dit een hele onderneming was, was het bescheiden vergeleken
met de internationale eisen die op dat moment reikten tot 25.000 eenheden per jaar voor
supertoerwagens met 2-litermotoren. De reglementen stonden racewielen en banden toe,
50 mm vleugelverlengingen (zoals voor Groep 2), en motoren met gemodificeerde zuigers,
nokkenassen, uitlaatsysteem en carburateurs.
De 100 speciale straat BMWs werden voor Keizans team op tijd gebouwd om in 1976 te
gaan racen, elk daarvan als straatauto uitgerust met een 3-liter motor en
vijfversnellingsbak. Zelfs deze machines waren ongeveer 100 kg lichter dan de
gebruikelijke productie 528.
Josef Schnitzer zaliger completeerde de ontwikkeling van de oorspronkelijke motor toen hij
in München was. Verdere detailwijzigingen in Zuid-Afrika stonden het de zescilinder in
lijn met 280 pk toe 1170 kg voort te stuwen. Onder de spatborden konden ze 10 inch brede
BBS gelegeerde voorwielen en 12 inch brede achterwielen monteren, met Goodyear racebanden.
Aan het eind van 1978 waren de Zuidafrikaanse BMWs, succesvol gereden door Keizan zelf of
door de voormalige eenzittercoureur Paddy Driver, verzekerd van een tweede
kampioenschapstitel. De oorspronkelijke auto was in juni 1976 klaar om te racen en had een
opmerkelijke racegeschiedenis tot 1978. Hij finishte niet in zijn eerste race, maar hij
finishte wel in meer dan 40 achtereenvolgende races. Op één na won hij al die races.
Aanvankelijk werd een andere 530 geracet door Alain Lavoipierre, maar begin 1978 werd die
opgenomen in een fabrieksteam van twee wagens met ondersteuning van Castrol en Salora
Racing, terwijl Paddy Driver de tweede stoel bezette.
Het was duidelijk dat de seizoenen 1976-78 zeer succesvol waren geweest voor de dynamische
Keizan, die verantwoordelijk was voor "technische en management supervisie en
promotie, naast het feit dat hij racete". Er was oppositie van Mazdas met
Wankelmotoren die zeker snelheid in rechte lijn hadden, maar gebrek aan
uithoudingsvermogen. Hoe dan ook, de 530 werd belemmerd door de inlaatspruitstuk-regel en
de pure snelheid van de Japanse autos bracht hem in 1978 in verlegenheid. Keizan
meende dat "
de 530s met hun handling goedmaakten wat ze verloren aan snelheid
in rechte lijn, ondanks hun behoorlijk hoge gewicht".
Een totaal nieuw Zuidafrikaans kampioenschap voor het seizoen 1978-79 liet veel meer
vrijheid toe. Het provinciale Gemodificeerde Sedan Kampioenschap werd voortgezet, terwijl
de nieuwe raceserie slechts in Zuid-Afrika geproduceerde carrosserieën toestond, motoren
van dezelfde fabriek, en slechts ruime beperkingen betreffende gewicht en motorvolume.
Voor deze formule werd een soort ultieme 5-serie sedan hybride geconstrueerd, die de
carrosserie met de 5-serie gemeen had met een 3,5-liter 24 kleppen motor, zoals die werd
gebruikt in de CSLs, plus de Groep 5 wielophanging die door de fabriek was ontwikkeld voor
de 320. Het was een soort bastaard, eentje die voor het eerst werd gezien aan het eind van
1978 toen de jaarlijkse Kyalami-race (de vroegere 6 uursrace) opdoemde. Hij bewees snel
genoeg te zijn om de race te leiden, maar werd van de zege beroofd door ongeluk in een
dramatische race.
Voor een auto die zeker niet bedoeld was om mee te racen, heeft de 5-serie stellig
carrière gemaakt. Zoals alle moderne BMWs, behalve de M1 coupé, werd er van hem verlangd
weg te weten met een aantal motor- en afstelopties. Men zou de oude 518 of 520 (zelfs in
zijn latere zescilinder vorm) hebben kunnen bestempelen als voor competitie bestemde
autos. Maar toch, toen het aankwam op grotere zescilinder motoren (2500 en 2800) was
het duidelijk dat de auto potentie had.
Door het installeren van een grotere zescilinder viel er veel plezier te beleven met de
5-serie, een feit dat door de fabriek werd erkend in de jaren 70 door de levering van de
177 pk 528i aan de Europeanen, of van de speciale, meer dan 200 pk genererende 3,0-, 3,3-
of zelfs 3,5-liter machines van Motorsport GmbH aan erkende klanten. Tot zover was
München bereid te gaan, en dichter kon de 5-serie niet komen tot een fabrieksracer buiten
Duitsland.
Europese titelwinnaar
De meest succesvolle vorm voor de race 5-serie bleek de introductie van Groep A in 1982.
Deze formule stond radicale chassiswijzigingen toe, zoals vervangende remmen, velgen en
wielophangingscomponenten, maar een strak beperkt motorvermogen, met standaard
cilinderkoppen en in- en uitlaatspruitstukken.
BMW accepteerde de uitdaging van deze nieuwe regels en accepteerde tevens dat de
minimumproductie van het gebruikte basisvoertuig 5000 stuks per jaar zou moeten zijn.
Ongelukkig genoeg zette dit een streep door de BMW 5- en 6-serie varianten van de jaren 80
met 3,5-liter 24 kleppen zescilinders voorzien van dubbele bovenliggende nokkenassen, en
de 3-liter varianten van de heftige 5-serie die Walkinshaw had ontwikkeld in de jaren 70.
Vanaf 1 februari 1982 kreeg BMW Motorsport erkenning voor een racevariant van de 528i.
Daarbij waren heel precies gehomologeerd: volledige raceophanging met wielen met centrale
wielmoeren, een kortere kogelkringloop stuurinrichting, 5-versnellingsracebak (Getrag
zig-zag) en een remsysteem met grote geventileerde schijven, compleet met dubbele
hoofdremcilinders en afstelling vanuit de cockpit. De tractie werd geassisteerd door een
sperdifferentieel van 75 %.
BMW Motorsport leverde 528i-racecarrosserieën, gespoten maar niet geluiddicht. Deze
carrosserieën werden vergezeld van alles wat nodig was om een racer te bouwen, meestal
links gestuurd, inclusief alle bedrading, radiateurs, differentiëlen en trim (zoals de
daklijn en deurpanelen), maar de levering van de racebenodigdheden, zoals genoemd in de
vorige alinea, werd overgelaten aan specialisten van buiten "vanwege
capaciteitsproblemen" volgens een klantenbrief van 22 juli 1982 aan de auteur.
Eggenberger In Guemlingen, Zwitserland, kreeg de goedkeuring als leverancier van motoren
en hardware/complete autos. Hartge was ook een aanbevolen motorleverancier, en Heini
Mader deed het ontwerp- en ontwikkelingsprogramma voor de race 528s en race 6-series van
1982.
De Groep A 528 was alleen prioriteit voor BMW privérijders in seizoen 1982, maar dat was
genoeg om de Duitser Helmut Kelleners zijn derde Europese toerwagentitel te geven in de
Eggenberger sedan. Kelleners reed met de Italiaan Umberto Grano, voormalig Europees
kampioen voor BMW (in 1978 met CSL en in 1981 met 320).
Tijdens een van die vertrouwelijke momenten die de autoracerij soms biedt, zag ik één
van deze eenseizoens Eggenberger Groep A 528s de aansluiting houden met 217 km/h. Ik had
een grandioos uitzicht over het Grand Prix circuit van Silverstone het rechte stuk
nog wel en zag de excellente mogelijkheden van de remmen en het chassis van de 528
Ik had misschien nog wel 30 pk extra van de motor van mijn Ford 3-liter V6 toen ik de
Eggenberger auto achtervolgde tijdens de training voor de 1982 editie van GBs oudste
autorace, de Tourist Trophy.
De Ford was zeker 25 km/h sneller in rechte lijn dan de 240 pk BMW, maar ontbeerde
betrouwbaarheid, fatsoenlijke remmen, of het sterke BMW chassi, dus de rondetijden
verschilden niet veel in de training. Het verschil was dat een BMW meestal deze tijden
bleef draaien twee, zes of 24 uur lang. Dat was het essentiële verschil met het
racen in een privé Ford, maar een keurig uitgezochte Capri V6 kon je je in
Groot-Brittannië altijd eerder veroorloven (vanwege de £ - DM verhouding van de jaren
80) dan een 100.000 mark kostende race 528.
Je hebt een hele goede auto nodig om succes te hebben zonder directe fabriekspreparatie. Dat de BMW 5-serie zon mooie carrière maakte, zegt veel over het ontwikkelingswerk dat BMW er door de jaren heen in heeft gestoken.
Vertaling: Bram Visser, 1999.